een man moet in ieder geval iks doen, en daarom golf ik. Hartstikke leuk, je slaat tegen een balletje en in 3 of 4 keer ligt dat balletje in de hole, dat is een piepklein gaatje met een vlag erin.
Dat doe ik op vaste tijden met een paar vaste golfmaatjes. Ik zal geen namen noemen in verband met de privacy maar eentje daarvan, J. Is een aparte. Je ziet al op de geanonimiseerde foto al dat hij bijzondere kleren draagt. Hij is wel aardig, staat goed in het leven, maar golf?

Golfen met J. is… een ervaring. Geen goede, geen leerzame — gewoon een ervaring. En vooral eentje waaruit blijkt dat er écht niks aan is.
Om te beginnen denkt J. dat par een soort chips is. En dat een handicap iets is wat je pas krijgt als je op je golfclub valt. Hij staat op de tee als een beginnende flamencodanser: voeten wijd, knieën krom, club vast alsof hij ermee gaat barbecueën in plaats van slaan.
“Die mat is hard!” zegt hij als hij moet afslaan. Vervolgens slaat hij… mis. Niet een beetje. De bal ligt nog op z’n plek, maar J. is al doorgedraaid als een windmolen in storm. “Ik dacht dat ik ’m had!” roept hij. Hij had niks.
Slaat hij uiteindelijk wel een keer raak, dan is het met de kracht en precisie van een boze mug. De bal gaat 15 meter – naar rechts, in een sloot, of richting een groepje spelers op een volgende hole dat zeker niet wist dat ze in de gevarenzone liepen. J. roept dan: “Fore!” maar altijd te laat, en altijd achterstevoren, soms zelfs “Frooo?”
Niemand snapt hem. Inclusief hijzelf.
Op de green is het nóg treuriger. Hij put alsof hij met een honkbalknuppel op een kiezelsteen slaat. Hij meet zijn putts met zijn ogen dicht en eindigt steevast verder van de hole dan waar hij begon. Soms mist hij drie keer en juicht bij de vierde, alsof het de put van Tiger Woods op Augusta was. En áls hij voor het eerst een birdie maakt kijkt hij je wild aan en roept hij keihard “TWEEEEE’.
En de etiquette? Ver te zoeken. Hij loopt door je lijn, praat tijdens je swing (“Is dit een goede club, denk je?”), en houdt maar niet op. Zijn golftas piept, zijn schoenen zijn ooit bedoeld voor wandelen, en zijn poloshirt draagt hij in z’n broek met een riem die eruitziet alsof hij net uit de bouwmarkt komt. Intimidatie ten top.
Aan het eind van de ronde zegt hij altijd:
“Wat een heerlijke dag, hè? Lekker gespeeld!”
En dan staat hij daar, met een kromme rug, drie ballen minder, en de diepe overtuiging dat hij fantastisch heeft gespeeld.
Er is echt niks, maar dan ook niks, aan om met J. te golfen.
Behalve misschien de koffie na afloop. Want dan houdt hij tenminste even z’n mond.