
Ik heb al eerder aangegeven: wel “ niets” tegenover “ iets”, “iemand” tegenover “niemand” maar niet “iks” tegenover “niks”.
Daar zit iets raars in, dus als niksoloog ga je dan op zoek naar de waarheid en stel je je de vraag:
“Maakt “iks” een kans?”
Zeker! Hier geef ik weer hoe ik denk over het mogelijke woord “iks” in relatie tot “niks”, net zoals “iets” zich verhoudt tot “niets”:
Betoog: Tijd voor “iks”? Een pleidooi voor taalbalans
In de Nederlandse taal kennen we het woord “niks” als een informele variant van “niets”. En “niets” is natuurlijk de ontkenning van “iets” – een zelfstandig naamwoord dat een onbekende of ongespecificeerde zaak aanduidt. Deze logica roept echter een opvallende vraag op: als we “iets” en “niets” hebben, en ook “niks”, waarom hebben we dan geen “iks”?
1. Taalstructuur vraagt om balans
De Nederlandse taal is, ondanks haar grilligheden, verrassend logisch in haar opbouw. Tegenstellingen zijn meestal netjes georganiseerd: “goed” tegenover “slecht”, “aan” tegenover “uit”, “iets” tegenover “niets”. Maar in het informele taalgebruik is “niks” de tegenhanger van “iets”, terwijl er geen positieve evenknie voor “niks” bestaat. Als “niks” de informele vorm van “niets” is, zou een logisch gevormde tegenhanger “iks” kunnen zijn: de informele variant van “iets”.
2. Wat zou “iks” betekenen?
Als we het woord “iks” zouden invoeren, zou het betekenisvol kunnen zijn als:
- Informele, kleine, ongespecificeerde hoeveelheid (“Geef me gewoon wat iks om mee te werken.”)
- Synoniem voor ‘iets’ in spreektaal (“Heb je iks nodig van de winkel?”)
- Als speelse versterking in jongerentaal, net zoals “niks” vaak een lading heeft (“Ik doe niet zomaar iks voor je.”)
In feite gebruiken veel mensen “niks” op een manier die niet formeel correct is, maar wél begrijpelijk. Dus waarom zou “iks” niet ook kunnen functioneren als informeel, speels alternatief voor “iets”?
3. Taal leeft – en groeit
Nieuwe woorden ontstaan continu. Denk aan woorden als “appen”, “bingewatchen”, of “flexen” – ooit onbekend, nu alledaags. Als “iks” zich in het taalgebruik zou nestelen, zou het nauwelijks opvallen. Sterker nog, de klank en vorm zijn zo logisch dat het direct begrijpelijk is. Het zou niet eens uitleg vereisen.
4. Creatieve ruimte en poëzie
Het bestaan van “iks” zou ook de creatieve schrijver of dichter nieuwe speelruimte geven. Waar “niks” al een vertrouwd poëtisch woord is – “ik voel me als niks” – zou “iks” de mogelijkheid bieden om subtiel contrast te creëren:
“Jij gaf me niks, terwijl ik jou al mijn iks gaf.”
Een prachtig vormgegeven tegenstelling die nu simpelweg niet mogelijk is zonder kunstmatige constructie.
5. Weerstand? Of gewoon gewenning?
Natuurlijk zullen puristen hun wenkbrauwen fronsen. Maar veel taalvernieuwing werd ooit argwanend bekeken. Het woord “niks” zelf werd ooit als plat gezien – nu is het algemeen geaccepteerd. “Iks” hoeft niet door de Taalunie te worden goedgekeurd om betekenis te krijgen; het enige wat nodig is, is gebruik. En daar begint het – met een woord, een zin, een idee.
Conclusie: “Iks” verdient een kans
Taal is geen museumstuk, maar een levend organisme. De invoering van “iks” zou niet alleen de informele balans tussen “iets” en “niks” herstellen, maar ook nieuwe uitdrukkingsmogelijkheden bieden in gesproken taal, creatief schrijven en poëzie. Het is een kleine stap voor het woordenboek, maar misschien een grote sprong voor het taalgevoel.
Laten we dus niet wachten tot iemand anders het doet. Zeg vandaag nog tegen iemand:
“Heb je nog iks voor me?”
En wie weet… wordt het morgen heel gewoon.
De conclusie: in de niksologie is “iks” algemeen geaccepteerd en ik pleit voor een actief gebruik van het woord.